
Maarten Franssen
geboren: 05 – 01 – 1955 (Eygelshoven)
Opleiding: NLO TEHATEX, Tilburg 1976 t/m 1981
Tijdens mijn opleiding als leraar Handvaardigheid en tekenen, heb ik les gehad van ondermeer Arie Berkulin, Appie Drielsma, Jan Goosen, Theo Kuipers en Piet Killaars. Deze inspireerden mij in mijn zoektocht naar materialen en vormen. Na mijn studie ben ik het grootste gedeelte van mijn beroepsmatige leven docent handvaardigheid en tekenen geweest in het Middelbaar Beroepsonderwijs. Naast mijn professie als docent ben ik, weliswaar niet full time, altijd blijven zoeken naar, en het verbeelden en uitbeelden van vormen.
Schelpen, bladeren van planten en bomen, fossielen, schepen en boten zijn mijn inspiratiebron geworden voor beelden, voornamelijk in gips en hout.
Fenomenen in de natuur zijn van oudsher het uitgangspunt geweest voor beelden en vormen in de kunst van diverse culturen over de hele wereld. De diversiteit in vormen, structuren, ritmes, kleur en plasticiteit zijn bijna onuitputtelijk. Tot voor een paar jaar geleden heeft dit beelden opgeleverd waar vormen uit de natuur, een duidelijke rol speelde. Naarmate mijn werk zich ontwikkelde neemt dat een steeds minder belangrijke rol in.
Door kennis te maken met werk van beeldhouwers als Chillida, Deacon, Penone, veranderen mijn beelden van vorm en materiaal. Hout en gips maken plaats voor brons, staal, aluminium en albast. Van min of meer naturalistisch en figuratief naar een zekere mate van abstractie.
Wat mij altijd bezig heeft gehouden zijn de overeenkomsten in verschillende culturen en religies. Meer dan de tegenstellingen waar men meestal de nadruk op legt. Ik maakte kennis met de Asmat in Papoea Nieuw Guinea, met decoraties op schilden en rituele beelden d e op systematische en patroonmatige wijze aangebracht worden. Zij leveren een beeldtaal op die vergelijkbaar is met de systematische decoraties die terug te vinden in de Moorse cultuur. Reizen naar Marokko en Andalusië in Spanje versterkten dit idee. Voor mij heeft dat een persoonlijke beeldtaal opgeleverd. Mijn zoektocht naar tekens uit verschillende culturen levert steeds weer nieuwe vormen op die ik gebruik in mijn werk.
Een zoektocht net zoals een Chinese monnik dichtte:
ik ken de naam niet
maar zeg het is de weg
om het te beschrijven
noem ik het groots
groots is buiten je zelf treden
buiten je zelf treden ver weg
ver weg en terugkeren
Lautze
Vanaf 2013 ben ik mij vooral bezig gaan houden met de verbeelding van taal
Taal is voor mij meer een uitgangspunt voor beelden dan de waarde van de tekst. Letters, woorden, teksten zijn niet ruimtelijk, nemen geen plaats in, geen ruimte, het is niet tastbaar. In mijn werk probeer ik een beeldschrift te maken dat ook een bepaalde ruimte inneemt en tastbaar is, als extra dimensie.
Mijn voorliefde voor het Arabisch heeft te maken met de vorm van het tekenschrift en de recente ontwikkeling in het noorden van Afrika rondom de “Arabische lente”. De demonstraties toen op het Taheriplein waren voor mij een duidelijk teken van en aanzet tot verandering en modernisering van cultuur. Daarnaast heeft de keuze tot beelden te maken naar aanleiding van het Arabisch tekenschrift een historische achtergrond. Wij, in onze huidige westerse cultuur, beseffen eigenlijk te weinig hoezeer de Arabische taal bijgedragen heeft aan onze ontwikkeling. Griekse schrijvers, historici, filosofen en wetenschappers werden gekopieerd en vertaald naar het Arabisch en vervolgens verspreid over verschillende gebieden in Europa. Bijvoorbeeld in Andalusië in de vroege middeleeuwen. Cordoba, Sevilla en Toledo waren plekken die daardoor een grote ontwikkeling doormaakte. Arabische geschriften werden vanuit Bagdad en Damascus naar Andalusië gebracht in de vroege middeleeuwen en vertaald naar het Hebreeuws en het Latijn wat uiteindelijk onze wetenschappelijke taal is geworden. Universiteiten in Leiden, Leuven en Heidelberg hebben daar hun bronnen vandaan. Naar aanleiding van boeken als “Papyrus” van Irene Vallejo, “De gouden eeuw in Andalusië” van María Menocal en de “kopiist” van Hanny Alders, is een aantal beelden ontstaan. Zelf ben ik dan een kopiist van teksten uit het Arabisch naar ruimtelijke, drie dimensionale beelden. Beelden als “wat je leest, is niet wat je hoort” en “anti – racisme “ zijn directe vertalingen uit het Arabisch schrift. De Arabische tekst is bewerkt en geabstraheerd tot hun huidige vormen. Zo wordt de tekst ongeschikt aan de vorm en tastbaar. Het beeld “Liefde is mijn fundament” is een Arabische tekst die getransponeerd is in het Kufisch ornamentaal schrift. Net als het beeld “deux pages d’écriture” een uiting is van het aanleren van een bepaald handschrift..




